Krukje

Als ik thuiskom zit ze op een krukje. In de keuken. Waar ze anders rechtstaat en fluks tussen potten en pannen, schuiven, kasten en couverts laveert. Of beter huppelt. Danst.  Alsof haar voeten de grond niet raken, en ze met een vingerknip en een glimlach de dingen kan laten doen die ze graag wil dat ze doen…

Vandaag weegt alles lood, en werkt alles tegen. Gaat het ontzettend traag of helemaal niet. Lopen en springen de spulletjes van haar weg, naar de grond toe om daar te versplinteren en weg te schieten onder alle hoekjes en kantjes… En toch kookt ze. Omdat het zo afgesproken was, en omdat ze het wil. Omdat het moet.

– Er moet niets, zeg ik en gebruik haar woorden.

– Nee…

Ze zucht.

– Ik weet wel. Maar toch.

– Wat maak je?

– Pannenkoeken. Ik had in niets anders zin.

De rest kan ik verzinnen. Hoe ze vandaag nog niets gegeten heeft omdat haar maag overhoop ligt. Ik vraag me af of ze kunnen douchen heeft vandaag, en of ze daarna niet boven de pot gehangen heeft. En in hoeveel keer ze de trap naar beneden is geraakt… Minstens twee keer uitrusten, denk ik. 18 treden.

– Pannenkoeken zijn geweldig, lach ik. Ik vind het leuk, de kinderen vinden het leuk.

Ze kijkt me aan en glimlacht. Haar putjes in haar wangen lachen mee, maar haar ogen niet. Die zijn vochtig en mat. Ze stelt zich recht en komt een knuffel halen. Als ik mijn armen rond haar heen sla en haar hoofd op mijn schouder ligt, snikt ze. Eén keer.

Ik voel hoe haar hand mijn schouder lost. Ze kijkt me aan, ademt diep in en gaat terug op haar krukje zitten en draait de pannenkoek om.

– Die was bijna teveel gebakken.

Ze kijkt me terug aan.

– wil jij koffie zetten? En de tafel? We kunnen bijna eten.

Advertenties

It’s the economy stupid!

Laat het meteen duidelijk zijn, ik heb van economie en financiën geen verstand. Of toch niet meer dan wat ik zelf alle dagen en maanden ervaar. Er mag niet meer buitengaan dan dat er binnenkomt. Dat concept vind ik al lastig genoeg. Visakaart, amazon, en pabo nog eens aan toe!

Beleggingen, obligaties, fondsen en andere kaaimantaksen, het klinkt allemaal ontzettend  eh… boeiend. Ik ben er niet echt mee bezig. Fout!!! Hoor ik u, denken. Het is belàngrijk, het doet de wereld draaien en zorgt er uiteindelijk voor dat ik mijn huis kan afbetalen, enz. Ik besef dat wel, maar daar houdt het ook op voor me.

Omdat een mens af en toe de nood ondervindt iets bij te leren, bleef ik gisteren hangen op de panorama reportage over Fortis. Het ging slecht met die bank in 2008, en er is door Belgen, Nederlanders en Luxemburgers een krankzinnige hoop geld ingestopt, en een hoop mannen in smetteloze pakken en blinkende dassen, vertelden over nachtelijke vergaderingen en stevige onderhandelingen in sjieke vergaderzalen. Ik ga mezelf nu niet verdenken van er echt iets van te hebben begrepen, maar ik heb wel een pak bijgeleerd.

Er is echter een ding dat me verbijsterde. En geen klein beetje.
Ergens aan het begin van de reportage kwam de persconferentie van de CEO van Fortis ter sprake, geïllustreerd met beeldmateriaal in slow-motion. Die was op korte termijn belegd, om de klanten, beleggers, beurzen en weet-ik-veel wie gerust te stellen en te verzekeren dat het met Fortis beter ging dan de omstandigheden lieten uitschijnen. Kostuum- en brillantine meneren gaven daarna hun commentaar en daar kreeg ik wel een gigantische wtf-dreun van!

Er werd geen woord gezegd op wat die CEO vertelde, het ging alleen over het feit dat hij niet geschoren was, er moe uitzag, en dat het geen wonder was dat de beurzen geen vertrouwen meer hadden in Fortis. Met andere woorden, het gaat goed met mijn bank als de bovenbaas ervan de juiste deo en aftershave gebruikt, en op tijd onder de wol kruipt. Daar hangt dan ik-weet-niet-hoeveel miljard vanaf.

Voor de rest viel het op dat alle hoofdrolspelers toch een gigantische verborgen agenda hadden, dat ego’s, persoonlijkheden en nationaliteiten (uiteindelijk werd het toch weer een België-Holland of ‘ die belgen mogen ons wel weer dankbaar zijn’ versus ‘we hebben die hollanders uiteindelijk toch goed liggen gehad, gniffelgniffel’) op het einde van de rit de doorslag gaven.

Onze nationale economie wordt gered op dezelfde manier als kinderen die op een speelplaats ruziemaken over hun knikkers…

P.S. Als u hier nu uit begrepen heeft dat ik laaiend enthousiast ben over ruilhandeleconomie, dan slaat u de bal gigàntisch mis.
Gisteren zag ik een berichtje verschijnen ergens: ‘Heeft iemand een kledingstuk te geef?’ Da’s al even verbijsterend. Hoe gierig kan een mens zijn, denk ik dan.

Geluk…

Kris

Ik heb vaak gedacht dat ik er geen talent voor heb. Dat denk ik af en toe nog. Dat het iets is wat je overkomt, en vooral dan anderen. Geluk is wat je afdwingt, ongeluk overkomt je.
Het is onzin. De ene dag weet ik dat wel, een andere dag moet ik mezelf er steeds weer overtuigen. Dat lukt soms, maar even vaak niet.

Maar het is onzin.

Geluk is als een gedicht, een beweging niet in de breedte maar in de diepte. De diepte zie je niet zo makkelijk, ze is moeilijker te tekenen, moeilijker te horen. En als dat gebeurt, laat ze veel ineens zien, en dan heb je weer niet alles op een rijtje, ben je verplicht te blijven kijken, na te denken, te overwegen. Geluk is voor wie geduldig wil blijven, wil laten zinken tot er klaarheid komt in de drank en het proeven vanzelf gaat. Het laat zich moeilijk uitdrukken in woorden, maar doet dat in een lach, in een blik, in een aanraking.

Geluk is een besef.

Het is waar ik van doordrongen raak als ik naar je kijk als je ligt te slapen. Als ik voel hoe je je hand naar me uitrekt om me dicht tegen je aan te trekken. Ik zie het wanneer ik je met een eindeloos geduld (of daar lijkt het toch sterk op) met mijn kinderen bezig bent. Of als ik eens te meer aan het doordraaien ben, het overzicht kwijt ben en jij me heel gericht en met zachte, maar vastberaden hand in de juiste richting duwt. (Niet dat ik het dan in de gaten heb, maar toch. Het dringt dan wel wat later tot me door.) Ik wéét het als we moe maar voldaan tegen mekaar kruipen, nat van het zweet en al de rest en ik mezelf in en op je ruik, en jouw geur helemaal over mij hangt, en ik me ijzersterk voel.

Dan, en op nog veel andere manieren voel en weet ik het, alsof ik het kan grijpen.

Be-grijpen.

Maar dat wil ik niet.
Dat hoef ik niet.
Begrijpen is alsof het moet verklaard worden, uitgelegd. Meetbaar gemaakt. Hoe diep en hoe breed is het, dat geluk. Die liefde. De enige manier om het te vatten, waarop ik het wíl vatten is door Montaigne te parafraseren – het komt uit zijn essay over vriendschap. “Als ik zou moeten zeggen waarom ik je liefheb, dan heb ik daar geen antwoord op. Parce que c’ést toi. Parce que c’est moi.”

Liefde is uiteraard niet hetzelfde als verliefd zijn. We zijn beiden oud genoeg, en hebben genoeg meegemaakt om dat meer dan goed te weten. Ik weet ook niet of verliefd zijn hetzelfde is als geluk. Ik denk niet dat verliefden altijd gelukkig zijn. Er zijn genoeg verhalen geschreven over het tegendeel, ik moet maar aan mijn eigen leven denken, jij misschien aan het jouwe. Ik las ergens: “Worden we verliefd omdat iets mooi is, of is iets mooi omdat we verliefd zijn? En kunnen we wel verliefd zijn, moeten we het niet elke keer opnieuw worden?” Ik heb er geen antwoord op, misschien is er ook geen.

Beloftes maken is eigenlijk iets waar ik schrik van heb. Omdat je er op afgerekend wordt. “Je had het belóófd, papa!” Misschien kan ik ze niet houden. Misschien wordt het dwingend. Moeten. En niet meer willen, of kunnen…

Mag ik in de plaats een wens doen?
Mag ik wensen dat de liefdes die me zullen overvallen, dat de verliefdheden die nog gaan komen – en waarvan ik weet, wens, hóóp dat ze nog gaan komen, dat als ik me passioneel verlies in iemand – wat het mooiste en wreedste is dat een mens kan overkomen, dat het dan voor jou mag zijn. En alleen voor jou…
Mag ik wensen dat, als je hopeloos verliefd wordt, dat het dan op mij is?
Mag ik in de plaats wensen dat ik sterk genoeg blijf, dat mijn schouder altijd je hoofd kan ondersteunen.
Mag ik wensen dat mijn verdriet altijd groter is dan het jouwe, zodat het als twee armen om je heen kan liggen en je kan troosten?
Mag ik wensen dat ik de zee ben en jij het strand? Of wil je het omgekeerd? Jij eb en vloed. Dat jij altijd terugkeert naar mij, die altijd blijft.
Want dat wil ik. Dat is misschien wat ik het liefste wil.
Neen, het is het énige.

Ja, ik wil!

Nee, ik moet.

Wie in de diepte van een ander heeft gekeken, is tot die ander veroordeeld. En je kijkt dieper in me, dan veel anderen ooit gekund, gewild en misschien gemogen hebben. Zoals ik in jou mag kijken?
Mag ik een laatste wens doen? Mag ik wensen dat ik tot je veroordeeld blijf? En mag ik dan zeggen dat ik het heb gevonden?
Mijn geluk?

 

Uitgeproken in Wetteren op 15 mei 2015

 

Met onuitgesproken veel dank voor de gulheid van Guido Vanhercke bij wie ik ontzettend veel inspiratie mocht halen.

Bewust? Onbewust?

Ik ging het niet doen. Enfin, niet niét, maar toch zo weinig mogelijk. Vandaag voel ik dat ik niet veel anders kan. Een mening geven. Mijn gedàcht zeggen. Niet dat ik de mijne a priori oninteressant vind, of net interessanter. Ik lees er genoeg waarvan ik, nadat ik ze gelezen heb, denk: “Danku voor het delen hiervan, maar wat bén ik er mee? Wat voegt dit voor mij toe?” Vaak is het antwoord te situeren tussen ‘bitter weinig’ en ‘verdienstelijke poging om interessant te lijken, maar jammerlijk gefaald. Probeer volgende keer niet opnieuw’. Ik vermoed dat deze in dezelfde categorie terecht komt..

Vandaag voel ik mij aangesproken. Onbewust Kinderloos. Een heel katern in De Morgen over vrouwen die (nog) geen kinderen hebben, daar spijt van hebben of dat toch op zijn minst jammer vinden. Het leven is voor hen gelopen zoals het gelopen is, of dat doet het nog. Het is er nog niet van gekomen, op een of andere manier. Elk heeft een ander verhaal, maar dat is wel de rode draad.

Het is het verhaal van mijn lief. En dus ook het mijne, voor een stuk, omdat ze gekozen heeft voor mij. En dat nog steeds doet. Omdat ik een man met een verleden ben, met een rugzak zoals dat heet. Iedereen heeft een rugzakje, met zijn geschiedenis, trauma’s, frustraties en sporen van een leven. Soms van verschillende levens. In mijn rugzak zitten de levens van drie kinderen waar ik halftijds de zorg voor draag. Omdat ik hun papa ben. En sinds Kris bij me woont, we besloten van samen verder te gaan met ons leven, heeft ze om het nuchter te omschrijven ‘dat erbij gepakt’. Ik sta er nog steeds van versteld, zowel van haar keuze als van haar doorzettings- en incasseringsvermogen op dat vlak.

Maar het heeft een stevige consequentie. Drie kinderen, hoewel maar halftijds, is een gevuld huishouden. Dat vreet energie, kost moeite, tijd. Dingen waarvan mijn lief zich heel erg bewust was, toen ze de stap zette en voor mij koos. Haar prins op het witte (zelf ziet ze liever een zwart, maar bon) paard, is een man van middelbare leeftijd met een monovolume en drie kinderzitjes achteraan.

Omdat ze lijdt aan Fybromyalgie en CVS, komt daar nog eens bij dat het heel erg denkbaar is dat het bij mijn drie kinderen blijft. Dat Kris nooit zelf mama zal worden, nooit de borst zal geven, nooit met een maxi-cosi gaat sleuren, kindercrèches moet gaan zoeken, en heel de mikmak. Het is een regelmatig terugkerend gespreksonderwerp tussen ons. Zouden we, of zouden we niet. Als we zouden, dan moeten we geen jaren meer wachten. Want een man kan wel op jaren nog vader worden, of ik tegen mijn zestigste nog puberende jeugd de baas moet, is misschien niet iets waar ik echt naar uitkijk. Hoe dan ook, er is nog niets beslist, maar de realiteit is er. Het kan gerust zo blijven tussen ons. Mijn drie kinderen, met hun wissel-mama. We hakken de knoop ooit wel eens door, dan hoort u het wel. Ik zal er dan niet over kunnen zwijgen…

Maar ondertussen lees ik in het interview van Francesca Vanthielen een pak zinnige dingen. Een kinderloos leven is evengoed gevuld, waarde-vol en zinnig. Het maakt niet minder vrouw, of minder man (ik ga er vanuit dat er ook mannen in de situatie zitten, constaterend dat hun leven niet gelopen is zoals ze het hadden gewenst – bij wie wel?).

Het feit dat ze geen mama is, maakt haar niet minder mama. Wissel-, stief-, plus-, weet-ik-veel wat voor adjectief je erbij plakt. Maar even goed, mama.

Gelukkige moederdag, mijn lief!

 

 

Onderscheid

Floris JespersEen paar weken geleden was ik op mijn eentje in Knokke voor de tentoonstelling Floris Jespers, Kongo-Knokke. Behalve van naam, kende ik hem niet echt. Ik wist dus ook amper wat te verwachten, hoewel mij gezegd was ‘het is de moeite – ge móet er naar toe!’ Omdat het ging over de Congolese periode van Jespers (grofweg het begin van de jaren 50 van de vorige eeuw), sprak het me wel aan. Ik dus daar heen.

En het was de moeite.

Tussen alle schilderijen en een paar beeldhouwwerken hingen ook een brief van Jespers aan Gazet Van Antwerpen. Eén passage daaruit intrigeerde me, en is erg blijven hangen. Ik weet niet goed waarom.

“… maar een rythme dat alleen door een schilder-dichter en musicus te ontdekken valt”

Schilder-dichter en Musicus. Waarom die twee samen, schilder-dichter? Schilderen met woorden en beschrijven met verf en penseel? Afbeelden in kwatrijnen en verwoorden op doek? Ik zie het niet meteen. Is het omdat Jespers zelf muzikant was – hij speelde in diverse variété orkesten in de jaren 20 – dat hij vindt dat dat onderscheid tussen muziek en verf veel groter is dan het verschil tussen verf en woorden?

Paul Valéry deelt schilders op in sprekers en zangers, en doet dat zonder een bepaald systeem of sluitende structuur. Het is intuïtief, een kwestie van aanvoelen. Analyseren, uit mekaar halen, afbreken en weer opbouwen. Of je door het werk laten meeslepen en impregneren. Ongetwijfeld is het voor iedereen ook anders, kijkt iedereen er anders naar. Da’s ook de bedoeling. Er is geen één waarheid, behalve uw eigen waarheid. Zeker niet in (schilder)kunst. Vooral niet.

Als ik het onderscheid van Valéry volg, is Jespers een zanger, zeker in die congolese periode. Een muzikant. Hij beeld ritmes uit, de kleuren en de omgeving dansen voor hem uit en overweldigen hem. In het begin van zijn Congo-periode is er nog iets academisch, hij wil weergeven wat hij ziet. Niet veel later verdwijnt dat, en hij laat zich meeslepen door de sfeer en wat het met hem doet. Mensen worden abstracter afgebeeld, in vlekken en beweging.

Blij dat ik er naar toe geweest ben, u hebt wat gemist. En het doet me beseffen dat Centraal-Afrika, de regio van de grote meren écht wel nog niet van die bucketlist van mij mag gehaald worden…

Grijs

Zes jaar heeft ze geleerd wat blijven was:
wat ouders deden, en wat alles dus ging doen:
een tafel bij een stoel, nu bij toen.
Het meervoud van geluk was:wij.

Sindsdien heeft ze geleerd wat enkelvoud is.
Zij. Nu weer half van jou, morgen half van mij.

Toen ze acht was was ze tien.
Eén helft van haar gezicht lief,
de ander liever. Bang om te kiezen
tussen verliezen en verliezen.

Vandaag is ze gewoon twaalf.
Vier ouders, twee echt, twee stief.
Slapen gaan moet met eindeloos gezoen.
Ze wint altijd. Ze heeft geleerd wat blijven is.
Wat ouders niet en kinderen wel doen.

Herman de Coninck, Enkelvoud

 

Mijn kinderen zijn met meer dan een, drie om precies te zijn. En ik zie ze gelukkig zijn en groot worden. En even vaak klein zijn, en twijfelen en denken dat ze keuzes moeten maken die een lagere-school-kind niet zou moeten maken. Compromissen maken waar er geen te maken zijn. Twijfelen aan of ze wel zou vertellen dat het vorig weekend (‘toen ik niet bij jou was papa’) zo geweldig plezant was…
Kinderen die de gevolgen dragen van de keuzes die je zelf maakt. Keuzes waarvan je vond dat je geen andere keuze  meer had. Tussen spelcomputer ginder en verkleedkoffer hier, tussen papa en mama, tussen wit en zwart, tussen pest en cholera, …

Ik hoop dat ik ze ooit grijs leer kennen.
(En de eerste die nu aan Christian Grey denkt, krijgt kletsen van me, met de groeten van Henry en Anaïs!)

De buren

Mijn hart bonsde in mijn keel toen ik zachtjes de sleutel omdraaide en de deur opendeed. Hopelijk kraakt hij niet te veel… Gelukkig niet. Zachtjes stapte ik binnen en sloot de deur achter me. Omdat het een gedeeltelijk glazen deur was, en het avondlijke buitenlicht een gloed verspreidde kon ik in de hal de spullen die er stonden behoorlijk goed onderscheiden. Links was de deur naar de living die half open stond. Daar was het wel pikdonker, de rolluiken waren neergelaten. Dat waren ze de voorbije maanden al de hele tijd geweest. Hoewel ik er jaren geleden wel eens was geweest, en ik me niet kon voorstellen dat er veel veranderd was herkende ik het toch niet meteen. Licht durfde ik niet aansteken – ik wist niet eens of het wel werkte – dus ik haalde een kleine zaklamp uit mijn linkerzak.

Mevrouw Vandenberghe was een heel ordelijke dame. De kamer lag er piekfijn bij. De fotokaders stonden twee per twee, aan elke zijde van het dressoir. Een schaaltje met fruit midden op de salontafel, en een vaas met bloemen op de schouw. Geen stofje te bekennen, geen papiertje dat rondslingerde of kruimels die een spoor konden zijn van gezellig koffiedrinken met een stukje taart erbij. Niets. Hier was in geen maanden iemand geweest, zo leek het. Maar de kamperfoelies roken fris en het fruit op de tafel was vers.

Zeven jaar geleden had mevrouw Vandenberghe ons de sleutel toevertrouwd, toen ze voor een paar dagen bij haar nicht ging doorbrengen aan de andere kant van het land. Of we zo vriendelijk wilden zijn de brievenbus te legen en de kanarie elke dag een beetje eten te geven. Wat we uiteraard met veel plezier deden, hoewel dat beest amper at en er nooit een brief in de bus lag. De jaren daarvoor had ze het altijd gevraagd aan haar buren links van haar. Maar toen was de zoon, Jorn, op een dag spoorloos verdwenen, waren de mensen heel snel daarna verhuisd, en sindsdien stond het huis leeg.

Vanaf dan was de eer en het genoegen voor ons. Mevrouw Vandenberghe ging een paar keer per jaar bij haar nicht, telkens voor een paar dagen. Bij haar terugkeer waren de bedankjes elke keer even welgemeend maar gereserveerd. Een bosje bloemen voor mijn moeder en een doos chocolaatjes voor mezelf. En hoewel mijn moeder altijd vriendelijk bleef, leek ze toch altijd wel opgelucht dat ze de sleutel kon teruggeven.

De verdwijning van Jorn had veel indruk gemaakt op de buurt. Jorn was 17 – 8 jaar ouder dan ik, was enig kind en ik kende hem niet zo geweldig goed. Ik weet wel nog dat hij ooit was komen oppassen toen mijn ouders een avondje weg waren en de vaste oppas op het laatste moment moest afzeggen. Voor de rest wisten mijn ouders niet zoveel te vertellen over hem. En ik wist wie hij was, maar daar hield het bij op. En op een dag was er geen spoor meer van hem te bekennen. Heel de omgeving werd uitgekamd, alle bewoners in de omgeving was ontelbaar keer gevraagd of ze enige tips hadden die bij de verdwijning van nut zouden kunnen zijn bij de zoektocht naar Jorn. Gezamenlijke zoekacties werden opgezet, folders en foto’s verspreid, maar Jorn bleef weg. Toen hij na drie maanden nog niet terug was, zijn zijn ouders van de ene op de andere dag verhuisd. Niemand weet waar ze heen zijn getrokken, en als iemand het wel wist heeft die heel die tijd zijn mond gehouden.

Mevrouw Vandenberghe had zich schijnbaar niet veel van die zoektocht aangetrokken, maar het leek wel alsof ze in de maanden na het verdwijnen van Jorn langzaamaan wat kwieker werd. Waar ze daarvoor behoorlijk gebogen liep, ging ze plots wat meer rechtop lopen. Haar onafscheidelijke wandelstok bleef al eens thuis, en stapte ze ook niet gewoon sneller toen? Maar mijn moeder vond dat ik me wat in mijn hoofd haalde. Maar toen mevrouw Vandenberghe nu al een paar weken niet terug was, en we de sleutel nog niet terug hadden moeten geven, besloot ik toch eens te gaan kijken hoe het er van binnen uit zag. En behalve dat ik verschrikkelijk nieuwsgierig was, vertrouwde ik mevrouw Vandenberghe voor geen haar…

Ik liep verder naar achter de keuken in. Alles rook fris, was geweldig opgeruimd. De kanarie had blijkbaar ondertussen de geest gegeven, want er was geen spoor van te bekennen. Aan de muur links hingen een rij foto’s. Stuk voor stuk portretten van jonge mannen die strak naar voor keken. Verontrust, alsof ze wisten dat hen iets te wachten stond. En dat het iets was om schrik van te hebben. Mijn blik dwaalde over de verschillende foto’s tot mijn oog viel op de laatste in de rij, de meest linkse. Het was Jorn…

Ik draaide me snel om, wilde terug naar buiten en rende al tot in de hal. En toen stond mijn hart stil, en verstijfde ik. Ik zag de klink van de voordeur zachtjes maar zeker opendraaien, er kwam iemand binnen…

Zondag

De zondagochtend is mijn favoriete ochtend. Of de kinderen er nu zijn of niet.
Dan zit ik aan de ontbijttafel, met de krant en een tas koffie. Of beter een kannetje. Een kan dus. Een volle. Die leeg is als het middag geworden is.

Zondagochtend is voor de kinderen tv-ochtend. Dan staan zij op hun eentje op, mogen ze televisie kijken, en hebben zij controle over de zapper. Ik slaap uit, zet koffie, bak de ontbijtkoeken, maak de cornflakes en ga erbij zitten. Aan de ontbijttafel. De kinderen zitten in de zetel en zijn verdiept in hun programma, of wat het ook is waar ze mee bezig zijn. Ik kijk naar hen als een toeschouwer, en vraag me af of ze hetzelfde zouden doen als ik er niet bij was. Ik vermoed van wel. En ik geniet van het gebabbel, de knuffels die ze me komen geven en de dromen van voorbije nacht die ze me komen vertellen. Van Ann-Sophie die mee komt de krant lezen, zo groot als ze al wil zijn. En ik koester de momenten dat er leven in huis is. Hun leven. Want al teveel speelt dat leven zich elders af. Tot het zich helemaal nooit meer hier zal afspelen, maar op de plek die ze zelf zullen gekozen hebben…

De ochtenden dat mijn kinderen bij hun mama zijn, zijn de ochtenden van stilte. Dan sta ik op mijn gemakje op, zet koffie, bak een paar ontbijtkoeken, of toast. En ga ik de krant lezen. Of niet. Er gaat geen televisie aan, of geen radio. Het zijn de ochtenden waarop ik alleen ben met mezelf, een tikkende klok en wat kwetterende vogels. En steeds meer vind ik dat de ochtenden waar ik ontzettend van geniet. Ik stoor niemand, niemand valt mij lastig. De wereld buiten is volop in gang geschoten en draait door, maar niet in mijn living. Alles lijkt buiten mij om te gebeuren en ik hoef alleen maar te kijken. En dat is een zalig gevoel. Ik voel me geen seconde eenzaam.

Tot Kris opstaat, en haar aanstekelijke opgewektheid mij uit mijn lethargie haalt, en de dag écht kan beginnen. Ook al is het dan soms al twee uur in de namiddag…

Gesprek…

Ze haalde haar schouders op.
– Ach, laat hem. Hij weet van niet beter!
– En wij wel?
– Tuurlijk!
Ze keek me aan met een onderzoekende blik. Meende ik dat nu?
– En voelen we ons dan beter dan hem? Dan de anderen?
– Voelen, nee. Helemaal niet. Hoe pretentieus is dat?
Ze wachtte even, roerde in haar koffie en nam een slok terwijl ze me heel duidelijk taxeerde.
– Voelen niet. Wéten!

Ik ben er gerust in. Denk ik.

jonathan

Mijn zoon lijkt op mij. Fysiek een beetje, hij heeft op dat vlak meer trekjes van zijn oom en zijn (over-)grootvader. Als ik naar hem kijk zie ik de neus van mijn broer en de handen en de ogen van mijn vader.

Maar hij heeft het lastig. Op school. Het gaat er niet zo vlotjes, hij ‘onderpresteert’ zoals dat heet. Hij haalt er niet uit ‘wat er in zit’! Hij moet harder en vooral meer oefenen, want zo gaat ie ‘er niet komen’. Toch niet in de klas. Als ik hem thuis naast mij zet en we maken samen wat oefeniningen (de waarheid gebiedt mij te zeggen dat hij dan meer naast Kris zit dan naast mij, Kris heeft de heerlijke gave van het geduld), dan lukt het wel. Dan maakt ie geen fouten, of maar weinig. En de fouten die hij maakt, maakt hij omdat hij nét wat leukers heeft gezien en hij er dus met zijn gedachten niet bij is… En er is zoveel boeiends te vertellen of te beleven. Ridders en dino’s, en paddenstoelen en voetbal (uiterààrd), en de auto van papa, en honderdduizend miljard andere dingen… En dan geniet ik van wat hij vertelt, omdat als hij het al niet thuis kan vertellen, waar dan wel?

Jonathan heeft het lastig thuis. Wissel-papa’s en halftijdse vervangmoeders maken dat hij af en toe niet weet waar hij met zijn emoties heen moet. Bij wie kan ik terecht? Zijn twee zussen, de ene ouder, de andere jonger hebben totaal verschillende karakters, ze zijn ietsje (ok, véél) dominanter aanwezig, luidruchtiger, ambitieuzer ook in zekere zin. Ze spelen gelukkig vaak samen, maar nog vaker is hij duidelijk alleen, op zichzelf aangewezen. En dan komt hij bij mij zitten, neem ik hem onder mijn schouder, kriebel ik hem zo vaak ik kan en de lach die dan op zijn gezicht verschijnt lijkt me échter, doorleefder dan die van zijn zussen. Alsof ie van veel dieper en verder komt. Alsof hij een hoop méér wil laten zien, dan alleen vrolijkheid en plezier…

En als hij verdriet heeft, of geschrokken is, veel te vaak omdat mijn temperament met me aan de haal ging, dan komt dat veel harder aan. Geen dramaqueen-toestanden, hysterisch voetgestamp, of armgekruist mokken, maar echt pijn die zoals het hoort alleen en in stilte gedragen moet worden. Toch? En dan ga ik bij hem zitten, en dan kruipt hij onder mijn schouder en dan kriebel ik hem en dan zie ik hem lachen, en dan kruipen zijn tranen achter mijn ogen. En dan voel ik hem klein worden, en bang. En vragen of het allemaal goed komt. En dan stel ik hem gerust.

Hij komt er wel. Net zoals ik. Toch?